Wyldemerk

Waar komt de Wyldemerk vandaan volgens verschillende lezingen:
Bij het Spitael gebeurden in de 15e eeuw veel wonderen. Het werd een bedevaartplaats en trok veel mensen aan. Er ontstond een traditie om na Maria Hemelvaart op 15 augustus een paar dagen bij elkaar te blijven op 16, 17 en 18 augustus.

Het woord Wyldemerk vindt haar oorsprong in het begrip “woldemarkt”, een markt in de “wâlden”; een markt in het bos.

De markt heeft te maken met de opening van de jacht op wilde vogels na Maria Hemelvaart.

De naam komt niet van de wildheid van de bezoekers, maar van het feest van de heidense wyldeman.

De markt vindt haar oorsprong in de 15e eeuw. Eerst op 15 augustus en later op 26 augustus. Weer later op een donderdag en vrijdag na Maria Hemelvaart.

Het is een afscheidsfeest van de zomer.

Kleine weetjes over de markt:
De markt trok kooplieden uit Schoonhoven, joodse kooplieden uit Amsterdam, joden uit Sneek met hondenkarren. Deze laatsten werden door de jongens uit Balk en Harich verwelkomt met ketelmuziek. De schepen met de draaimolen lagen een paar dagen voor de markt al aan de Marswal in Balk. Arme Gaasterlanders plaatsten afzettingen op de weg en hieven tol om ook iets aan de markt te kunnen verdienen.

Op de eerste dag paardenmarkt met kermis voor de getrouwde mensen. De tweede dag speciaal voor de vrijgezellen; in de volksmond de “frijstermerke”. Niet iedereen was blij met de Wyldemerk. Het onderbrak de dagelijkse gang van zaken, het was slecht voor de handel. De stad Sloten was ook jaloers. Ze verzochten de koning van Spanje, Filips II om de markt voortaan in Sloten te houden. Filips verbiedt op 4 augustus 1559 de markt en wijst haar toe aan Sloten. Het hielp weinig want niemand trok zich iets aan van het verbod en ze bleven naar de Wyldemerk gaan.
Soms waren er onregelmatigheden. Vooral op de tweede dag als het ging om het veroveren van een meisje. Dan ging het er soms heftig aan toe.

Wyldemerk tekening

Dit is een tekening van de Wyldemerk, de markt op het Wylde Fjild langs de Luts bij Kippenburg, of de markt van de Wâlden, waar die naam ook vandaan mag komen.
Wanneer de Wyldemerk voor het eerst gehouden is, weet niemand. Sommigen denken dat de oorsprong ervan ligt in de processie die jaarlijks werden gehouden rond de nieuwe kapel van het Spitael, waarvan verteld wordt dat er zulke prachtige wonderen plaatsvonden. Vooral omdat het Wylde Fjild vroeger eigendom was van het Spitael.

De Wyldemerk duurde vroeger drie dagen, 16, 17 en 18 augustus. Later ingekort tot twee, altijd op een donderdag en vrijdag. Donderdags werden de meeste zaken gedaan, vooral paarden. Vrijdags was de dag voor de jongeren. Er stonden ongeveer 30 kramen en tafeltjes waar van alles te koop was, van kleren tot gouden sieraden. De kooplui kwamen van heinde en ver. Zo vertellen de oude gilde-archieven van Schoonhoven ons nu nog dat, als er in Gaasterland Wyldemerk was, de zilversmeden hun personeel trakteerden. Zo goed deden ze daar vroeger zaken.

De banken en de tafels op de Wyldemerk waren van graszoden gemaakt. Die bleven het hele jaar, tot augustus aan toe, staan. Dan werden ze een beetje opgeknapt en konden weer worden gebruikt.

Het hoogtepunt van de markt was het moment van het kiezen van een Koning en Koningin van de Wyldemerk. Uit alle paren die op de laatste dag op het Wylde Fjild samengekomen waren, werd er één paartje uitgekozen. Dan ging het in optocht naar één van de grotere tenten, waar het Koninklijke Paar op een verhoging van graszoden plaatsnam. Iedereen die de tent betrad moest een offer brengen voor de Koning en de Koningin van de Wyldemerk. Wie te voet was gekomen, betaalde een dubbeltje, wie met een rijtuig was gekomen betaalde twee dubbeltjes.

Net als met alles is ook de Wyldemerk de laatste 100 jaar. Het bijzondere verdween en de markt werd langzaam maar zeker net als andere jaarmarkten. Rond 1900 is de markt opgeheven. Een naam op het hek van de oude boerderij daar en het kamp daar vlakbij dat in het jaar 1945 de naam heeft overgenomen, zijn het enige dat nog herinnert aan de fleur en de uitgelatenheid van weleer.

Tot zover Twerda.

Peter Bonnet, (1896-1979) bekend als stichter van het Museum Laterna Magica, dat nu deel uitmaakt van het Museum Sloten werd in 1921 directeur van de Nijverheidsschool in Sloten. In zijn jonge jaren was hij ondermeer amateurhistoricus en beschreef tussen oktober 1926 en juni 1929 in een wekelijkse rubriek in de Balkster Krant, de geschiedenis van Gaasterland als geheel en van de dorpen met de Stad Sloten. In apart deel beschreef hij Kippenburg, ’t Spitael en de Wyldemerk.
Hierna de relevante informatie over de Wyldemerk, of Wildenmarkt zoals Bonnet het noemt. De toen gebruikelijke spelling en taalgebruik is hieronder aangepast.

Deze plaats te midden van de Gaasterlandse wouden werd niet ten onrechte eens genoemd “het hart van Gaasterland”. Kippenburg op het kruispunt van wegen naar Balk, Rijs, Harich en Oudemirdum is nog altijd de geliefde pleisterplaats voor de wandelaar en de toerist. Kippenburg is nog altijd een lusthof waar je in landelijke stilte kunt genieten van het natuurschoon. Deze plaats is tegenwoordig vooral bekend om haar uitspanning, maar was vroeger alom bekend om de Wildenmarkt en het Spittael.

Omdat hier veel wegen samen kwamen en ook vanwege goede grond om te bouwen, werd in de middeleeuwen op deze plaats een klooster gebouwd. Dit klooster werd bekend onder de naam ’t Spittael, Kommandarij (een bouwwerk dat bestuurd werd door een ridderorde), of Hospitaal van de Ridders van Malta. Het gebouw stond op de plaats van de huidige boerderij ’t Spittael, bewoond door de heer De Vries.
Van de vele middeleeuwse kloosters is weinig of niets bekend. Soms bleef alleen de naam achter in de herinnering. Ook van ’t Spittael is weinig bekend. Het was een bijgebouw van het zeer machtige St. Odulphudklooster in Stavoren.

Op een zekere dag toen de abt Jacobus, de opvolger van abt Agge, op de naamdag van St. Martinus in de kapel de mis vierde, kwam er een kreupele man op krukken steunende binnen. Toen hij zijn toewijding aan God en zijn pelgrimstocht had vervuld, is hij gezond naar huis gekeerd en heeft als herinnering zijn krukken achter gelaten.

Er zijn op die plaats veel lijders aan verschillende ziektes en gebreken spoedig hersteld. Omdat die genezingen dagelijks te zien waren, is de kapel na een brand door heel veel mensen herbouwd.

Om al deze genezingen en voornamelijk tot verering van het sacrament dat door de brand was onteerd, werd er een gedenkdag ingesteld met een vererende en vrome processie die gehouden moest worden op de naamdag van de heilige bisschop Martinus. Hierbij kwam altijd weer veel volk uit de dorpen en steden uit de omgeving in devotie bij elkaar.

Sommigen kwamen op blote voeten. Anderen, mannen vrouwen, kwamen gekleed in een linnen hemd en gingen de processie voor. Weer anderen doen zoveel ze kunnen van hun vroomheid blijken door waskaarsen, geschenken, offeranden zichzelf  aan te bevelen bij God.
Als alles volgens de regels was volbracht, werd er een mis door de abt van Stavoren gezongen en vervolgens verrichtte hij de heilige handelingen (sacrament). Daarna haasten allen zich om met de zegen van de abt vrolijk huiswaarts te keren.

In het voorgaande artikel hebben we verteld dat het Spittael in 1486 door brand werd verwoest, aangestoken door Iga Galama en de zijnen. Omstreeks 1497 werd er aan het klooster opnieuw enorme schade toegebracht, ditmaal niet door Iga, die werd in 1494 vermoord, maar door zijn broer Doede en een zekere Hartman. Beide personages waren van hetzelfde kaliber als Iga.

Het was in 1497 dat de hertog van Saksen tot landheer van Friesland werd aangesteld. Om het Friese volk op een vredelievende wijze aan zich te onderwerpen, zond hij een gemachtigde genaamd Willibald vooruit.

Hoewel maar een gedeelte van Westerga instemde met de nieuwe landsheer, moest Willibald toch nog Leeuwarden belegeren. Daarna vertrok hij met een groot aantal soldaten naar Stavoren. Toen de woudlieden (onder leiding van Doede) dit hoorden, trokken ze hem onmiddellijk tegemoet, maar verloren de slag.

Op hun terugtocht namen ze de weg door Hemelum. Daar ontdeden ze het klooster St. Odulphus van eten en drinken en ze legden een belasting van 60 goudgeld op. Daarna keerde Doede zich tegen het dorp en staken het in brand. Vervolgens trokken ze naar Rijs, waar de heren een groot huis dat toebehoorde aan het St. Odulphusklooster in brand staken. Er woonden wel drie gezinnen met dienstboden en vee. Doede en zijn mannen wisten niet dat het huis aan het klooster toehoorde.

Broeder van Rixtel zegt:

“De schade te Rijs door brand van het grote huis, het Spittael en in Stavoren kan nauwelijks op 1000 schilden geschat worden. Deze dingen gebeurden op octavo van Pinksteren in 1497.”

Hieruit kan men afleiden dat het Spitael of de Spitaelkapel aan de beurt moet zijn geweest (bij de verwoestingen), maar we kunnen aannemen dat de schade weer werd hersteld.

De 16e eeuw bracht naast oorlogen en twisten ook de Reformatie. Iedereen die leest over geschiedenis, weet dat het protestantisme een vruchtbaar veld vond op de puinhopen van het ontaarde en verdorven kloosterleven van die dagen. Ook door abt Jodocus zelf is over dat verdorven kloosterleven geschreven. Door invloedrijke personen werd er een beweging in het leven geroepen om regel en tucht en orde weer ingevoerd te krijgen in de kloosters. Maar deze kloosterhervorming had in verschillende kloosters geen enkele invloed.

Ook de geschiedenis van het St. Odulphusklooster uit die dagen was een lijdensweg.

Jacobus van Oest, abt van het klooster (1495-1515), was een man met een ingetogen streng religieus karakter. Hij was iemand die ijverig werkte aan de kloosterhervorming. Maar de broeders waren daar niet van gediend en de abt werd zo gehaat dat hij meermalen moest vluchten omdat de broeders hem na het leven stonden. Hij stierf in ballingschap.

De meeste kloosters, ook waar de kloosterhervorming was ingevoerd, kregen moeilijke tijden om door te komen. Tientallen kloosters werden opgeheven. Ook de kloosters die in de stroom werden meegesleurd, maar wel degelijk beantwoorden aan het doel waarvoor ze gesticht waren. De oorlogen en het oprukkende protestantisme deden de rest bij het laten verdwijnen van de kloosters.

Het St. Odulphusklooster verdween en ook het Spittael werd in 1573 verwoest. Alleen de naam is in de herinnering blijven bestaan. Tegenwoordig is er niets meer dat doet denken aan de voormalige kloostergebouwen. Slechts de naam roept herinneringen wakker.

Volgens een kaart van Schotanus werd hier in 1718 al eenzelfde situatie aangetroffen

Wanneer voor het eerst weer op deze plek is gebouwd na de verwoesting van het klooster, is mij niet bekend. Misschien was het gewoon een wildernis. Het land ten zuiden van het Spittael werd lange tijd “de wildernis” genoemd.

Op bovenstaande kaart staat de boerderij aangegeven met de vermelding “’t Hospitaal”. Ten noorden hiervan staat een tweede boerderij en zo is de situatie ter plaatse nog steeds.

De tegenwoordige boerderij kan ongeveer 160 jaar oud zijn en schijnt gebouwd te zijn op de grondvesten van het vorige gebouw, of op dezelfde grondvesten maar aanmerkelijk veranderd en verbouwd, zodat vrijwel niets van het oorspronkelijke gebouw te herkennen is.

Ik bezocht de boerderij, maar kon door afwezigheid van de heer De Vries weinig van de vrouw des huizes te weten komen. Ook was het niet mogelijk om op dat moment de boerderij van binnen te bekijken. Op mijn vraag of er wel eens puin of stenen bij het graafwerk gevonden zijn, werd toestemmend geantwoord. Vermoedelijk staat de boerderij op dezelfde plaats als de voormalige kapel.

Op de aantekeningen van de Harichster onderwijzer Schootstra vond ik vermeld: “Bij het Spittael is een kerkhof opgegraven met een hoeveelheid geraamten, waar van er enkelen rechtop in de grond stonden.”

Ik ben onmiddellijk op onderzoek gegaan en kwam hoer volgende te weten van de heer A. Boersma te Westend in Harich, die was geboren op het Spittael. Deze was zo vriendelijk de volgende inlichtingen te verschaffen.

“Het is bijna 80 jaar geleden dat op het Spittael een zekere Klaas Swart woonde. Een man met zonderlinge manieren, die naar Amerika vertrok, waarna mijn vader de boerderij huurde.

Tussen de beide boerderijen die daar staan, was vroeger een walletje dat diende als afscheiding van de landerijen die bij de beide boerderijen hoorden. Het land ten zuiden daarvan dat bij het Spittael hoorde, werd vanouds altijd de kloostertuin genoemd. Het walletje bestond uit beste grond. Het werd daarom afgegraven en op die plaats een hek als afscheiding te zetten.

Mijn vader die het werk samen met zijn arbeider Jacob Betzema uitvoerde, vond toen een vijftal geraamten van mensen. Verder vonden ze een bijzondere vaas of kruik. Mijn broer uit Wijckel die veel ouder is dan ik ben, weet daar meer van.”

Wij hebben toen die broer opgezocht en de krasse oude heer wist het bovenstaande aan te vullen. “Ja, ik was bij meester Schootstra op school toen mijn vader met zijn arbeider de wal afgroef.

Er waren 5 geraamten van mensen. Men vond de delen niet bij elkaar, maar verspreid, behalve één, die was vrijwel compleet. De vaas zie ik nog steeds voor me. Het was een ronde vaas, ongeveer 30 cm in middellijn, een recht model en ongeveer 60 cm hoog.  De bovenrand was een beetje omgebogen, maar daar miste een stuk uit. De vaas was wit met blauwe bloemen. Ds. Renema, destijds predikant in Harich, heeft hem gekregen en heeft hem bij zijn vertrek uit Harich meegenomen.”

Zijn er soms lezers die er meer van weten en waar de vaas later is gebleven? Zonder met deze vage gegevens een oordeel te vellen, heb ik het vermoeden het bovenstaand keramisch product niet van het voormalige klooster afkomstig kan zijn, maar dateert van latere tijd.

Van een kerkhof met geraamten rechtstandig in de grond wist de oude Boersma niets af.

Gezien meester Schootstra als zeer nauwkeurig bekend stond en wij dus geen reden hebben om aan zijn opgave te twijfelen, zou het mogelijk kunnen zijn, dat de vondst van de geraamten doelt op een vroegere opgraving. Het is jammer dat Schootstra geen jaartal vermeld wanneer de ontdekking werd gedaan.

“Tenslotte”, vervolgde de heer Schootstra, “hebben we daar ook een grote tegemslag gehad. Wij groeven op een keer een dichtgegooide sloot uit. De aarde werd over het land verspreid, maar had een ondragelijke geur. Het daaropvolgende jaar kreeg bijna al ons vee de longziekte. Men vermoedde dat de sloot had gediend als mestvaalt van het klooster en dat dat de oorzaak was van de ziekte.”

Dicht bij het Spittael, op het driehoekige stuk land tussen de Luts en de nieuwe weg naar Rijs, werd sinds niet te heugen tijden de zogenaamde wildemarkt gehouden. Het ontstaan van deze markt ligt in het duister. Het is niet onmogelijke dat de naam in verband staat met het klooster. Al eerder hebben we vermeld dat op de dag van de heilige Martinus een kermis werd gehouden waaraan veel mensen deelnamen. Handelaren hierop belust, stelden hun koopwaar verkrijbaar.

En zo ontstond vermoedelijk de markt. Na het verdwijnen van het klooster hield men toch de markt in ere. Het was er erg druk wat voor de handelaren goede verdiensten opleverde. Kerkmissen groeiden uit tot kermissen en de wildemarkt bleef de oud-Gaasterlandse feestdag bij uitstek.

Na de verwoesting van 1573, werd de wildenmarkt gehouden op 15 augustus, de dag van Maria-Hemelvaart. Later is de dag verschoven naar 26 augustus.

Er is al veel geschreven over deze oud-Gaasterlandse feestdag. Het ging er vrolijk aan toe, maar ook ruw en onbeschaafd. Hoe kon het ook anders dankzij de geringe ontwikkeling van de bosmensen die zich op één dag in het jaar eens konden zich konden ontspannen. Het ligt buiten ons bestek om hier verder op in te gaan, maar toch is het aardig om de oude mensen hierover eens te horen vertellen

“Daar stonden dan de bekende zilverkramen van de Schoonhovenaars,” vertelde een oude man met zijn stok wijzende, “Dat moest u eens zien, daar kon men van alles krijgen: knipjes (haarspeld) , ringen, snuifdozen, lodereindoosjes (geurdoosjes)(l ‘eau de la reine; water van de koningin), tabaksdozen enz. Menig jonge man offerde daar zijn penningen voor een knipje of ringetje, waar zijn “faem” haar begerige blikken op had laten vallen.”

Veel oude zilveren snuisterijen in de kasten van de oud-Gaasterlanders is nog op de wildenmarkt aangekocht.

Er waren ook verschillende attracties. Zo had je daar de waterspringer. Vroeger lag er een klapbrug over de Luts. De springer stond boven op de klap van de opgehaalde brug en sprong dan naar beneden in het water.

Spelletjes en kraampjes luisterden de feestvreugde op in latere jaren kwam er de draaimolen. ’s Avonds werd het terrein fantastisch verlicht door oude walmende tuitlampen en het feest duurde tot diep in de nacht.
De meeste marktreizigers en kooplieden kwamen elk jaar terug, soms tot in het derde geslacht. Bekendheid verwierf Albert Bakker, die zijn liedjes zong en met stook wees naar met verf besmeurde plakkaten die voordracht uitbeelden. Op de tweede dag vond er een harddraverij plaats waarbij honderden mensen aanwezig waren.
Maar alles is tijdelijk. Ook de wildenmarkt verliep en is een brok historie geworden, een herinnering aan oud-Gaasterland.

De Wyldemerk (vrije bewerking naar een getypt verslag van H. Twerda; 1904-1985)

Hendrik Twerda was van 1934 tot 1970 hoofd van de school in Bakhuizen. Daarnaast was hij alom bekend om zijn onderzoek naar de geschiedenis van Gaasterland.

De Wyldemerk is nu een natuurgebied met o.a. een libellenreservaat bij Oudemirdum. De hieronder beschreven markten ontstonden in de 15e eeuw en rond 1900 kwam er een eind aan.

Nu nog wat over de Wyldemerk zelf. Hoe is het daar jarenlang geleden aan toe gegaan?

Op 6 zaterdagen rond Pinksteren was daar een weekmarkt. Het waren meest paarden, lammeren, en schapen die op de markt verhandeld werden. Vreemd genoeg veel minder koeien en varkens.

In de zomer kwam de jaarmarkt. Volgens traditie op drie dagen, namelijk op 16, 17 en 18 augustus. Later werd dat ingekort tot twee dagen op de eerste donderdag  en vrijdag na Maria Hemelvaart, dus na 15 augustus.

Op de eerste dag van de jaarmarkt werden de meeste zaken gedaan; vooral in paarden. Ik las ergens dat er in 1602 een man was die met één van zijn beide opgroeiende jongens waar hij voogd over was, naar de Wyldemerk reisde. Dat ging natuurlijk op een paard, want dat was in de tijd van slechte wegen met veel bochten, vooropgesteld dat er al wegen waren, de beste manier van reizen. In ieder geval beter dan te voet of met een schip. Het was een hele onderneming, maar het moest er toch van komen, want de jongen moest een paard hebben. Wie een beetje in goede doen was, kon immers niet zonder een paard. Je wou als jonge kerel natuurlijk wel eens van het erf af, tenminste wat verder dan tot de buren, maar zeker ook wel eens naar verre familie en naar de stad. Vandaar de verre en omslachtige reis naar de Wyldemerk. Op zondag van huis en op donderdag weer thuis met een gekochte bruine ruin van de Wyldemerk, gekocht voor 50 daalders en nog 6 stuivers “wijncoop”, een drankje achteraf. Dus op zondag van huis en op donderdag weer thuis. En dat helemaal van Dronrijp naar De Wyldemerk en weer terug. (ongeveer 85 kilometer; nu heen en terug met auto in ongeveer een uur) Het reizen was destijds heel wat anders dan nu.

De tweede dag was grotendeels bestemd voor de jeugd. Het was een “vrijersmarkt”, zoals men dat toen meestal al zei. Op beide dagen was het al één en al drukte. De harddraverij die er werd gehouden trok heel veel volk. En de prijzen konden er ook wel mee door. Zo werd er in 1808 een zweep uitgereikt met een zilveren montuur.

De draaimolens, de kraampjes, de eetstalletjes en de tenten met de vlaggen in top brachten allemaal kleur en fleur. En dan niet te vergeten de “lieren”, een soort van draaiorgels, die je de hele dag kon horen. In de kramen en de eettentjes, met elkaar zo’n 20 á 30, kon je eigenlijk van alles krijgen. Er waren er bij waar je zelfs kon overnachten. Er waren ook kraampjes waar je kleren, schoenen, hoeden en petten kon kopen. Er waren er zelfs waar je gouden en zilveren voorwerpen kon kopen. Al sinds de 17e eeuw was het gebruik om op de Wyldemerk zilveren “snypsnaren” (snuisterijen) te kopen en die dan mee te nemen naar huis als herinnering voor later. Het een en ander legde de mannen van de zilverkramen geen windeieren. Daar weten, nu na zoveel jaren, de oude gildearchieven van Schoonhoven nog van te vertellen. In het stadje Schoonhoven werd al sinds lange tijd aan het smeden van zilver gedaan. Heel veel van wat daar gemaakt werd belandde op de Wyldemerk. Er was zoveel vraag naar, dat het regel werd als in Gaasterland de Wyldemerk werd gehouden, in Schoonhoven de knechten van de zilversmeden door de bazen werden getrakteerd. Het kon  er wel even van af.

En dan waren er natuurlijk de tentjes waar jenever werd getapt. Iedereen die een “healfearnstje” (een deciliter) jenever kocht, kon er een pijpje van kalk, een jeneverpypke, gratis bij krijgen. Met één van de smeulende turven die hier en daar op de grond lagen, werden de pijpjes aangestoken. De jongedames werden getrakteerd op boerenjongens, rozijnen op brandewijn met suiker, in tinnen brandewijnkopjes. Ze lepelden het op met een tinnen lepel, die van de ene proefster op de andere overging.

Dan was er ook nog de “grietmanstent”. Die tent was voor de grietman, lange tijd Mynheer van Swinderen, samen met zijn raadsheren, maar ook voor de Balkster dominee en de pastoor. En ook nog voor de drie politieagenten. De Gaasterlanders noemden de heren de drie evangelisten, omdat ze als voornaam Marcus, Lucas en Johannes hadden. De drie mannen moesten erop toezien dat niemand van de (bluisterige) luidruchtige jongelui al te gek begon te doen. Zo nu en dan werd er voor de agenten wat bier gebracht zodat ze de hele dag in staat zouden zijn om hun moeizaam werk te kunnen verrichten.

Op de tweede dag kwamen de jongelui van heinde en ver opzetten. Voor de eettentjes en de kramen werd dit een hoogtepunt. Een dag die er wezen mocht, want op zo’n dag waren de jongelui niet zuinig op hun beurs. Hoe lang hadden ze er ook niet voor gespaard? Het hoogtepunt die dag was de verkiezing welk paartje deze keer de koning en koningin van de Wyldemerk zou zijn. Als de bekendmaking voorbij was dan ging het bijna in optocht naar één van de grote tenten. Daar werd het koninklijke paar op een verhoging van graszoden, hun troon, gezet. Iedereen moest nu een offer brengen voor de koning en de koningin van de Wyldemerk. Wie te voet was gekomen kwam er met een dubbeltje vanaf. Wie met het rijtuig was gekomen moest twee dubbeltjes betalen. En wie dat niet wilde, welnu die ging het water in. Voor al die dubbeltjes werd brandewijn met boerenjongens gekocht. In een grote tinnen kan werd dit door een paar jongens rondgebracht bij de rij offerbrengers. Zij zaten op banken van graszoden tegenover de verhoging waarop het koninklijke paar zetelde. Met een houten lepel schepten de jongens de drank uit de kan en hielden die de gasten voor die er dan een hapje van mochten nemen. Wie een te grote hap nam, kon er maar op rekenen dat ze daarna, als de lepel weer voorbij kwam, werden overgeslagen.

Er was nog veel meer.
Allereerst was er Albert Bakker, de zanger, die samen met zijn vrouw die hem begeleidde, veel volk trok. “Het vrouwtje van Stavoren”, het verhaal van “Gerrit Sipkes de Jong, die meteen het bed uitsprong” en de vreemde historie van “De bloedige strijd van de zeven meisjes om de broek van de bakker” stonden steevast op het programma. Verder waren er ook Gaasterlandse spookverhalen zoals “De witte vrouw van de Spookberg”, “De man zonder hoofd”, “De goddeloze boer van Mirns” enzovoort.

Dan was er Doaris de waterspringer. Die Doaris, een heel vreemde man, smeet zijn vrouw zo maar van de Kippenburger brug af, de Luts in. En zie, dan sprong hij het mensje direct achterna, spartelde dan wat rond in het water en bracht haar dan eindelijk, snuivend als een bruinvis, met een hoop spektakel weer op de wal. Zijn vrouw? Nee hoor, een grote strooien pop die hij vrouwenkleren had aangetrokken.

En dan waren er bijna elk jaar Simke en Stiné, het Eskimopaar dat de ene rauwe vis na de andere zo maar naar binnen werkte. En hoe meer de omstanders ervan griezelden, hoe meer ze hun best deden.

Ja, wat was er, gezien de tijd, nu eigenlijk niet?

Als de zon al aardig onder ging, kwamen de bolderwagens, hout op hout, en haalden de jongens en de meisjes op. Die uit de Westhoek gingen naar Rijs, die uit de Oosthoek naar Balk. En daar werd dan het plezier voortgezet tot ver in de nacht.

Op de Wyldemerk bleef er na een paar dagen niets anders over dan tafels en banken van graszoden. Het was er dan eenzaam en verlaten. Tot het volgende jaar augustus. Dan werden opnieuw de tenten opgebouwd, dan stond de vlag er weer in top. Een nieuwe Wyldemark met haar fleur en plezier, maar ook met haar drank en vechterij, kon weer beginnen.